De zon verwarmt de groene heuvels van Seoul. De kantoren in de verte verstoren dit idyllische plaatje niet. Eigenlijk zou Kim Tae Jin in dit decor niet mogen praten over zijn leven. Het contrast tussen de beelden op zijn netvlies en de omgeving is te groot. Toch spreekt deze bescheiden Noord-Koreaan. Op kalme toon verhaalt hij over zijn jeugd, de twijfels, zijn eerste vlucht naar China, zijn arrestatie en zijn vier jaar in het concentratiekamp Yodok, zijn vrijlating, gedwongen scheiding van zijn vrouw, de hongersnood, de tweede ontsnapping, zijn ontmoeting met Jezus, de tocht naar Zuid-Korea en zijn leven nu.
“Het moeilijkste”, zegt hij zachtjes, “vind ik eigen beslissingen nemen. Vraag me tien keer een stoel te verplaatsen in een kamer en ik doe het zonder me af te vragen wat het nut is. Maar als ik zelf moet kiezen welk college ik wil volgen, dan weet ik het niet.” Verrassend is dat niet. Wie dertig jaar of langer niet zelf heeft mogen nadenken, kán niet zelf nadenken. Wie gewend is dat beslissingen voor hem of haar worden genomen, kán zelf geen beslissingen nemen.
De Partij
Kim werd in 1956 geboren in China. Zijn vader scheidde van zijn moeder toen Kim nog jong was. Hij heeft halfbroers en een halfzus. In 1961 verhuisde hij met zijn moeder naar het noorden van Noord-Korea en in ’64 naar Wonsan, een zuidelijke havenplaats. “Ik heb me in mijn jeugd niet echt ongelukkig gevoeld”, zegt Kim. “We werden communistisch opgevoed. Generaal Kim Il-Sung had het volk gered van de ‘rijken’. Zuid-Korea was onder bezetting van de Amerikanen. Wij zouden ooit onze volksgenoten bevrijden van het juk van deze imperialisten. Een belangrijk onderdeel van onze lessen op school was het uit het hoofd leren van toespraken en geschriften van Kim Il-Sung. Het zou me tien jaar kosten om precies uit te leggen wat ik allemaal heb geleerd. Wat ik wel kan noemen, is hoe wij het systeem moesten zien. De Partij is de moeder, Kim Il-Sung de vader en Kim Jong-Il de zoon. Ik kan niet meer precies reciteren wat ik destijds heb geleerd. God heeft dit uit mijn hoofd gehaald.”
Geen keuzevrijheid
Keuzevrijheid is, zoals gezegd, een onbekend begrip in Noord-Korea. “Die is er absoluut niet. De Partij zegt wat we moeten doen. We worden als groep behandeld, niet als individu. Wat je carrièrekansen trouwens erg vergrootte, was als je Kim Il-Sung had ontmoet. Dan kreeg je aanzien. Veel mensen die promotie wilden maken, deden hun uiterste best hem te ontmoeten. Waar ik erg van baalde, was dat de Partij ook bepaalde wat voor baan ik kreeg. Na de middelbare school moest ik in een fabriek werken in de productie. Een erg simpel baantje. Toch geloofde ik nog steeds dat Noord-Korea het ware paradijs op aarde was.”
Twijfels
Maar langzamerhand kwamen er twijfels. “Ik zag een keer in een boek een foto van een Zuid-Koreaanse boer, met een jutezak op zijn rug. Daaronder stond in het bijschrift: ‘Deze arme boer wordt door de Zuid-Koreaanse bourgeoisie uitgebuit’. Maar ik keek naar zijn kleren en zag dat die veel mooier waren dan de onze. Bovendien werkten onze boeren ook op zo’n manier op het land. En in de kranten zag ik foto’s van demonstraties in West-Duitsland en Zuid-Korea. De foto’s waren vaag gemaakt zodat ik niet heel goed kon onderscheiden wat er op de achtergrond aan gebouwen te zien was. In het bijschrift stond dat de mensen erg boos waren op de heersende klasse. Maar zij mochten tenminste demonstreren… In mijn land is dat ondenkbaar.”
Verbergen voor autoriteiten
In 1986 vluchtte Kim voor de eerste keer naar China. Hij ging op zoek naar familie die in China woonde. Erg welkom was hij niet. “Mijn familie was bang. Ze namen een groot risico door een Noord-Koreaan te verbergen. Ik kreeg een baantje in een mijn. Geen fijn werk, maar wel een goede plek om me te verbergen voor de autoriteiten. In het begin was ik erg teleurgesteld in China. Ook hier was een communistische staat die met strakke hand regeerde. Ik moest voortdurend op mijn hoede zijn.”
Jaloers op liefde
In China kwam Kim voor het eerst in aanraking met het christendom. Via een Chinees-Koreaanse christen kreeg hij een bijbel. “De vrouw van het gezin waar ik verbleef, nodigde me ook uit naar de kerk te gaan, maar ik wilde niet. Ik probeerde wel in de Bijbel te lezen en begon in Genesis, maar ik begreep er niets van. Toch zag ik aan mijn gastgezin dat het christendom iets goeds was. Vooral de liefde die zij bezaten, maakte me jaloers. Ze waren zo anders dan ik gewend was.”
Gepakt
Na een maand of vier liep Kim tegen de lamp. “Ik liep gewoon op straat en kwam politieagenten tegen. Ik had zelfs een bijbel bij me. Ze zetten me gevangen. Pas in die gevangenis begreep ik hoeveel beter China eigenlijk was in vergelijking met mijn land. Zelfs het gevangenisvoedsel was beter dan het normale voedsel in Noord-Korea.”
Kim werd zonder pardon teruggestuurd naar Noord-Korea. “Ik was ontzettend bang voor wat zou komen. Zou ik direct worden geëxecuteerd? Of naar een werkkamp worden gestuurd? Hoewel ik Jezus nog niet had aangenomen als mijn Verlosser bad ik wel af en toe. Ik bad dat ik zou worden vrijgelaten. Uiteindelijk heeft hij mijn gebed verhoord…”
Gevangenis
Acht maanden lang zat Kim in de gevangenis. “Ik werd niet veel gemarteld. De situatie waarin ik me bevond was al een marteling op zich”, zegt Kim, terwijl voor het eerst een glimlach doorbreekt op zijn gezicht. Maar dan begint hij de acht maanden die hij doorbracht in handen van de veiligheidsdienst te beschrijven. “Ze sloegen me met stokken en ik kreeg nauwelijks te eten. Ook mocht ik niet mijn behoefte doen, omdat ik de orders niet zonder slag of stoot opvolgde. Ook moest ik een hele dag in dezelfde positie zitten, wat ongelooflijk pijn deed aan mijn benen. Verder mochten we ons niet wassen en niet onze tanden poetsen. De luizen liepen dag en nacht over ons heen.”
Anderen waren nog slechter af. “Het been van een gevangene werd geamputeerd nadat het door bevriezing was aangetast. Een gevangene die ‘kikker’ werd genoemd, moest eens een nacht doorbrengen bij de bewakers, terwijl hij naakt was. Het was die nacht -20. Zijn gekreun maakte de andere gevangenen en mij gek. De ‘kikker’ kon er niet meer tegen en pleegde zelfmoord door herhaaldelijk met zijn hoofd op de muur te beuken.”
Gedwongen scheiden
In de gevangenis bekende Kim alles waarvan hij beschuldigd werd. “Ik kon maar het beste meewerken. Ze hadden bewijs genoeg. Ze hadden bij mijn moeder zelfs een brief gevonden die ik uit China had gestuurd. Daarin schreef ik nota bene dat ik China niet zo’n mooi land vond en dat het zeker niet veel beter was dan Noord-Korea… Toen ik in de gevangenis kwam, werd mijn vrouw gedwongen van mij te scheiden. Eigenlijk was dat maar goed ook. Mijn kinderen waren daardoor geen familie van een dissident meer. Als ze officieel familie van mij bleven, zouden hun carrièrekansen verkeken zijn.”
Yodok
Na acht verschrikkelijke maanden werd hij op 31 maart 1988 naar kamp nummer 15 gestuurd: Yodok. De naam roept associaties op met het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Dit immens grote werkkamp ligt in de provincie Zuid-Hamkyung, midden in de bergen, waardoor ontsnappen nagenoeg onmogelijk is. Op plaatsen waar een vluchtpoging wel kans van slagen zou kunnen hebben, zijn hoge hekken met prikkeldraad opgezet. Sommige delen staan onder stroom. Verder zijn er mijnenvelden en andere dodelijke vallen. Om de twee kilometer staat een wachttoren van zeven meter hoogte. Wie probeert te ontsnappen, wordt neergeschoten. Als iemand levend wordt gevangen, wordt hij of zij publiekelijk geëxecuteerd. De gevangenen worden slechter behandeld dan vee. In de zomer en in de winter krijgen ze een stel kleren. Eten is er nauwelijks. Veel gevangenen bezwijken door ziekte of honger. De levenden zien er uit als wandelende geesten.
Keuren gevangenen
“Toch schrok ik daar niet van toen ik aankwam in het kamp”, zegt Kim. “Na acht maanden gevangenschap zag ik er net zo uit. Bovendien had ik weer een beetje hoop. De bewaker van de gevangenis had tegen me gezegd dat ik niet zou worden geëxecuteerd. Toen we het kamp in reden, mocht ik niet opkijken. Ik denk, omdat we eerst langs het deel van het kamp reden met gevangenen die nooit vrijgelaten zullen worden. We reden zeker dertig kilometer Yodok in voor we aankwamen bij mijn barak. In het kamp worden eerst alle nieuwe gevangenen gekeurd en in drie categorieën ingedeeld: sterk, gemiddeld, zwak.”
100 gram maïs
Die keuring bepaalt hoeveel eten de gevangenen krijgen en welke werkzaamheden ze moeten gaan doen. “Gelukkig zagen ze mij ondanks mijn gevangenschap van acht maanden als sterk. Ik moest op het land gaan werken en kreeg soms iets meer eten dan andere gevangenen.” Normaal gesproken was het eten overigens niet meer dan drie keer per dag 100 gram maïs. De gevangenen moesten inventief zijn. Soms kon Kim wat groentesoep maken van eetbare planten die hij vond in de bergen. Ook slaagde hij er soms in ratten, muizen, slangen of kikkers te vangen en te eten. Ook kikkerdril is erg gewild onder gevangenen in Yodok.
Geen fouten maken
Kim moest opstaan zodra de zon opkwam, tussen drie en vier uur. Laat op de avond keerde hij terug naar zijn barak. “Het hele systeem maakte me wanhopig. Ik zag mensen sterven van honger en ziekte, ik zag executies. Maar op een dag moesten we verzamelen in een grote hal en werd bekendgemaakt dat ter ere van de verjaardag van één van de leiders enkele gevangenen vrijgelaten zouden worden wegens goed gedrag. Op dat moment maakte ik een beslissing: ik zou een modelgevangene worden en ik zou dit overleven. Ik wist dat ik minimaal drie tot vijf jaar in Yodok zou moeten blijven om in aanmerking te kunnen komen voor vrijlating. Ik nam me voor geen fouten te maken.”
Onmenselijke situaties
Makkelijk kreeg Kim het niet. De omstandigheden in het kamp gaan het menselijk voorstellingsvermogen te boven. “Op een dag moest ik werken aan een kogelvrije verdedigingsmuur. Een medegevangene werd in elkaar geslagen, uitgekleed en geboeid, omdat hij wat tomaten had gestolen. De bewakers lieten hem de hele nacht liggen. Ik ben naar hem toe gekropen en heb hem op mijn rug genomen, want zelf kon hij niet wegkomen. Ook heb ik gezien dat een gevangene bruut in elkaar geslagen werd, omdat hij de maïs iets anders plantte dan Kim Il-Sung had bevolen. Een gevangene met de naam Choi kon zijn taken niet uitvoeren vanwege ondervoeding en ziekte. Hij deed alsof hij gek werd. Hij stal hondenvoedsel en sloeg zelfs de vingers van zijn hand af met een bijl. Ik heb een keer een executie gezien van vijf gevangenen, die hadden geprobeerd te ontsnappen. De mannen werden gekneveld en gemaskerd, op hun knieën gedwongen en neergeschoten met drie kogels.”
Een christen
Op een dag ontmoette Kim ‘bij toeval’ een christen. “Ik had nooit verwacht dat er christenen zouden zijn in Yodok. De christen was leider van een groepje van zeven christenen. Ze noemden zich ‘Gemeenschap van Liefde’ en kwamen af en toe in het geheim bij elkaar. Ik wist dat het verboden was om christen te zijn in het kamp. Toch was ik niet bang om met hem te praten. Hij was zo’n grappige man… Soms vertelde hij me verhalen uit de Bijbel en ik genoot daarvan. Maar ik wilde niet mijn zonden belijden. Toen hij me dat vroeg, sloeg ik dicht en zei ik geen woord meer.”
Verraden
In Yodok stellen de bewakers regelmatig verklikkers aan. Dit zijn gevangenen die verplicht iedere week een rapport moeten opstellen over wat medegevangenen verkeerd doen. Eén van hen verraadde het groepje christenen. “Ze zijn allemaal enorm gemarteld. Mijn vriend hadden ze zo zwaar te pakken gekregen dat zijn arm afstierf en moest worden geamputeerd, waarschijnlijk zonder verdoving. Daarna werden hij en de anderen naar een ander kamp gestuurd, met een nog strenger regime. Zo’n kamp kom je niet levend uit. Ik heb daarna nog wel eens geprobeerd christenen te vinden in Yodok, maar het is niet meer gelukt.”
Vrij
Net als alle andere gevangenen dacht Kim vaak over een ontsnappingspoging, maar hij realiseerde zich dat hij meer kans op overleven had, als hij zich koest hield. Na drie jaar gevangenschap vertelde de bewaker hem: “Als je je dit jaar ook goed gedraagt, word je volgend jaar vrijgelaten.” Op 1 april 1992 moest Kim zich met duizenden andere gevangenen melden in de grote hal. Twee weken later was Kim Il-Sung jarig. “Ter ere van die gelegenheid werden gevangenen vrijgelaten. Toen mijn naam genoemd werd, kon ik mijn geluk niet op. Die blijdschap is niet te beschrijven. Eindelijk zou ik deze hel, dit levende massagraf, mogen verlaten. Het was een wonder dat ik hier levend uit zou komen. Ook de andere gevangenen die werden vrijgelaten, waren superblij. Ik heb zelfs eens meegemaakt in het kamp dat een gevangene een hartaanval kreeg toen zijn naam werd genoemd. Hij stierf ter plekke, wat een tragedie…”
Laatste dag
Kims laatste dag in Yodok was 10 april 1992. Toen werd hij op de trein gezet naar familieleden, die uiteindelijk niets met hem te maken wilde hebben. “Na mijn vrijlating wist ik niet goed wat ik moest doen met mijn leven. Eigenlijk wilde ik nog maar één ding: weg uit Noord-Korea. Maar als ex-gevangene werd ik in de gaten gehouden door de geheime politie. Ontsnappen was onmogelijk. Nog steeds zat ik in een soort gevangenis.”
Maar in april 1997 zag hij zijn kans schoon. “Het klinkt cru, maar de hongersnood in de jaren negentig was voor mij een godsgeschenk. Daardoor gingen mensen op zoek naar voedsel. Velen trokken voor korte of lange tijd naar het noorden. Het viel niet zo op als ik er tussenuit kneep en de controles waren sowieso minder strak.”
De rivier over
In zijn eentje ging Kim naar het noorden, naar de grensrivier Jalou. Net als de vorige keer. Hij zocht ’s nachts een ondiepe plaats op en liep toen het ijskoude water in. Sommige delen waren zelfs nog bevroren. De ondergrond – van ronde stenen – was spekglad. “Ik begon gewoon te rennen door het water”, zegt Kim, “Het was nog geen honderd meter. Op een gegeven moment gleed ik uit en viel. Daarbij bezeerde ik me behoorlijk. Daarna moest ik door een bergachtig gebied op zoek naar een schuilplaats. Hier en daar lag nog steeds sneeuw. Sommige stukken liep ik op handen en voeten, als een hond.”
Schuiladres
Uiteindelijk vond Kim het schuiladres waar hij naar op zoek was. Over die tijd kan Kim uit veiligheidsoverwegingen niet veel zeggen. Hij had verschillende banen in die tijd en kwam opnieuw in aanraking met christenen. In december 1997 kreeg hij een Koreaanse bijbel en dezelfde maand liet hij zich dopen. Over zijn bekering zegt Kim: “Ik weet ook niet precies hoe het gebeurd is. God zocht me op en ik nam Zijn Woord voor waar aan. Langzaam begon ik de Bijbel ook beter te begrijpen. Het duurde niet lang of ik kreeg de leiding over een groepje Noord-Koreanen met wie ik bijbelstudie deed.”
Naar Zuid-Korea
Maar in China was Kim verre van veilig. Eigenlijk wilde hij naar Zuid-Korea. In het voorjaar van 1999 vertrok hij naar Chinese hoofdstad Beijing om daar aan te kloppen bij de Zuid-Koreaanse ambassade. Zijn gastgezin raadde hem dat af. “Onmogelijk. Te gevaarlijk”, zeiden ze. Maar Kim kwam in april 2001 wel in contact met een organisatie die Noord-Koreanen het land uitsmokkelde. Kim moest klaar staan om ieder moment te vertrekken.
Via Mongolië
Op 8 juni van dat jaar kwam het verlossende telefoontje. Kim zou worden opgehaald en naar Mongolië worden gebracht om via dat land uiteindelijk naar Zuid-Korea te gaan. De groep bestond uit acht personen. In twee groepjes van vier probeerden ze de grens over te steken. Zes van de acht liepen echter tegen de lamp. “Over hun lot bestaat weinig twijfel: ze zijn teruggestuurd naar Noord-Korea, gemarteld en als ze dat overleefd hebben naar een werkkamp gestuurd.” Kim bereikte Zuid-Korea wel veilig. Nu zit hij hier in deze vredige omgeving op slechts enkele tientallen kilometers afstand van Noord-Korea. “In mijn land zal niets veranderen zolang Kim Jong-Il aan de macht is. Alleen God kan een opening creëren in Noord-Korea. Maar hoe? Via een oorlog? Via een natuurramp? Laten we bidden dat God ingrijpt zonder bloedvergieten.”
Noord-Koreanen steunen
Kim grijpt tegenwoordig vrijwel elke gelegenheid aan om over zijn land te spreken, en dan vooral over de christenen, die nergens ter wereld zo worden vervolgd als in Noord-Korea. “Mijn persoonlijke boodschap is: toon interesse in mijn land. Bid ervoor. We hebben uw steun nodig. Bid ook voor mijn persoonlijke bediening. Ik zet me in voor een organisatie die Noord-Koreanen steunt in China.”