De geur van eten vult de kerkzaal. De vrouwen zijn druk aan het werk: aan de voorkant van het gebouw worden kibbeh (gehaktbroodjes) gebakken, binnen wordt een zoete rijstpap bereid. Nog even en de eerste bezorgers kunnen op pad, om maaltijden rond te brengen naar hulpbehoevende mensen. “We weten wat de mensen moeten doorstaan, want we hebben zelf ook geleden.”

“We wilden de bejaarden bijstaan die er alleen voor staan, die niemand hebben die voor hen zorgt”, vertelt Nariman over hoe het allemaal begon. Samen met Nazek is zij verantwoordelijk voor de activiteiten in de gaarkeuken. Terwijl ze vertellen over hun werk, zijn een stuk of tien vrouwen druk bezig met het klaarmaken van zo’n 150 lunchpakketjes voor hulpbehoevende mensen in en rond de stad al-Hwash.

Vergeten individuen

De gaarkeuken is vier jaar geleden opgezet door de Grieks-Orthodoxe Mar Eliaskerk in al-Hwash. Deze kerk is een van de vele Centers of Hope in Syrië: kerken die hoop willen brengen in een door burgeroorlog geteisterd land. “Wij helpen de mensen die zichzelf niet kunnen helpen. Hun kinderen hebben vaak het land verlaten, of ze hebben helemaal geen kinderen”, legt Nariman uit. “Het zijn de vergeten individuen. Maar nu krijgen ze twee dagen per week een gezonde maaltijd, gratis.”

“De nood is enorm”, vult Nazek aan. “Zonder dit voedsel zou de situatie van deze mensen erg ellendig zijn.” Maar de mensen die ze helpen krijgen niet alleen een lekkere maaltijd. “We brengen hen ook twee keer per week een bezoek.”

Zo’n twintig mensen zetten zich vrijwillig in voor het project van de kerk. Ze werken bij toerbeurt. “We houden ervan om mensen te helpen”, zegt Nazek. “Liefdadigheidswerk is fijn om te doen.”

Medeleven

Zowel Nariman als Nazek kreeg de afgelopen jaren te maken met borstkanker. “De artsen verboden ons om te werken. Maar als we dit werk doen, verdwijnt onze vermoeidheid”, zegt Nazek. “We weten wat de mensen moeten doorstaan, want we hebben zelf ook geleden.”

Volgens de vrouwen is er een groot contrast tussen de huidige situatie in Syrië en het leven dat veel Syriërs hadden voordat de oorlog in 2011 begon. “Iedereen had genoeg, we hadden een goed leven.” Maar Nariman verloor alles tijdens de oorlog. “We woonden eerst in Homs, maar ons huis werd vernield. Mijn man is dokter en ik ben apotheker, maar de apotheek werd ook vernield. Mijn man werd ontvoerd en bedreigd. We verloren alles en kwamen als vluchteling naar deze plek. Ik kon bij mijn ouders in huis komen wonen, maar we hadden niets om op te slapen. Ja, ik weet wat de mensen hier moeten doorstaan.”

Nariman en haar man begonnen weer een zaak in hun nieuwe woonplaats. “Voor de oorlog hadden we een inkomen van ongeveer 5600 euro per maand. We waren rijk. Nu is ons inkomen ongeveer 800 euro per maand. Maar we redden het wel.”

Zicht op een toekomst

Terwijl ze spreekt, gaat haar telefoon. Als ze het telefoongesprek beëindigt, zijn haar ogen gevuld met tranen. Ze zucht. “Dat was mijn zoon. Hij bevestigt zojuist dat hij erin geslaagd is het land te verlaten.” Zoals zoveel andere jonge mensen zag hij geen toekomst meer in zijn land. “Zelfs als de kostwinner betaald werk heeft, is het niet genoeg om een gezin van te onderhouden”, probeert zijn moeder de reden van zijn vertrek uit te leggen.

De kerk wil niet dat mensen afhankelijk blijven van het voedsel van de gaarkeuken. Gezinnen die nog jong genoeg zijn om te werken, kunnen een microkrediet aanvragen om hun eigen bedrijf te beginnen. De kerk heeft op deze manier met succes geïnvesteerd in verschillende nieuwe bedrijven, zoals een houtzagerij (zie pagina 12). De gezinnen moeten na drie maanden beginnen met terugbetalen; slechts 20 procent van het totale bedrag hoeft terugbetaald te worden. Nariman is blij met het initiatief dat hoop voor de toekomst biedt. “We hopen dat dit de jongere generatie helpt om in Syrië te blijven.”