Zingen en dansen na een bomaanslag

Paasochtend 2019 staat bij christenen in Sri Lanka op het netvlies gegrift. In drie kerken gingen bommen af en honderden mensen stierven. In de maanden die volgden, heeft Open Doors de gewonden en familieleden van de slachtoffers bemoedigd en ondersteund. Open Doors-medewerker Jan zocht de 24-jarige Rebekah en haar familie op in Batticaloa.  

Op het moment dat Rebekah de woonkamer binnenloopt, stokt mijn adem. De linkerkant van haar gezicht en delen van haar rechterkant zijn bedekt met derdegraadsbrandwonden. Op haar hoofd mist ze een flinke pluk haar, waardoor er een kale plek zichtbaar is. Ze lijkt wat verlegen en niet erg bereid om haar verhaal te vertellen. Maar zodra haar broer vertelt hoe hun zus Verlini op die bewuste paasochtend om drie uur ’s nachts opstond om te bidden met Rebekah, begint zij zelf te vertellen. 

Lied van hoop 

Ik vraag Rebekah waarom ze midden in de nacht gingen bidden. Niemand kon immers weten dat haar zus zes uur later zou sterven bij de aanslag. “We zouden die zondagochtend een lied zingen, net als vorige zondag”, zegt Rebekah met een zachte stem. Als ik vraag welk lied, begint ze te zingen. Ik begrijp de woorden niet, maar het is een lied over de Here Jezus. Een lied van de hoop die we in Hem hebben. 

Mooi van binnen en van buiten 

Rebekah herinnert zich niet veel van die dag. “Ik was in de boekhandel en de zelfmoordterrorist stond net buiten toen hij de bom in zijn rugzak tot ontploffing bracht. Het enige dat ik me herinner is vuur. Overal vuur.” Ik kijk naar haar. “Je bent nog steeds mooi”, zeg ik. “Misschien juist vanwege je wonden. Dat is wat de apostel Paulus bedoelde toen hij het had over wat hem ontbrak in het lijden van Christus, in zijn lichaam had aangevuld.” (Kol. 1:24). De wonden die Paulus droeg, toonden aan hoeveel Jezus van ons houdt. Hetzelfde geldt voor jou, Rebekah.” De jonge vrouw laat de woorden doordringen. “Ik wil getuigen van wat ons is overkomen en wie Jezus is. Dat is mijn hoop voor de toekomst”, zegt ze dan.  

‘Bid dat ik weer kan zien’

Op het bed achter Rebekah zit de 6-jarige Debbie, de blik gericht naar beneden, zoals blinden doen in Sri Lanka. Bij de aanslag verloor ze niet alleen haar ouders, maar ook beide ogen. Toch houdt juist dit meisje het gezin overeind. Als ik vraag wat de familie gaande houdt, beamen ze eensgezind: Debbie. “Zij is de vreugde in ons leven. Wanneer ik huil, zegt ze: ‘Niet huilen. Onze geliefden zijn in de hemel.’” Ik vraag wat we voor haar kunnen bidden. “Bid dat de Here God me weer zal laten zien”, zegt Debbie. “Nu zie ik alleen schaduwen, maar op een dag zal Hij me mijn gezichtsvermogen teruggeven.”  

Debbie kan dansen 

Bij onze vorige ontmoeting kon Debbie niet lopen. De andere gezinsleden moesten haar dragen. Groot is dan ook onze verrassing als ze bij het afscheid uit bed kruipt. “Debbie! Kun je lopen?”, roept mijn collega Tara uit. “Lopen? Zij kan dansen”, lacht een zus. Debbie doet het graag voor. De muziek gaat aan en kleine Debbie die geen ogen heeft maar het hart van een leeuwin, danst met handen in de zij en wiebelende benen.  

De familie van Rebekah en Debbie heeft ons hart voor altijd gestolen. Ze verloren verschillende familieleden, twee meiden zijn voor het leven gehandicapt. Maar ze worden elke dag sterker en moediger. Vervolging heeft een gezicht. Het kan worden verbrand of verminkt. Het kan huilen en kermen maar ook lachen.