Begin maart bezocht Open Doors-partner Miranda* Afghaanse vluchtelingen op een onbekende locatie. Een korte impressie.

De geur van urine dringt mijn neusgaten binnen als we het flatgebouw binnengaan waar veel Afghaanse vluchtelingen verblijven. Onze contactpersoon vertelt dat deze vluchtelingen al een paar jaar geleden gekomen zijn, vóór de val van de regering in Kaboel op 15 augustus 2021. Het begon toen de taliban het land veroverden: stap voor stap, dorp na dorp, stad na stad.

We lopen omhoog via het smalle trappenhuis dat vol lag met oude, kapotte spullen – meubels, fietsen, stukken hout. Op de bovenste verdieping begroeten ons blije gezichten van vrouwen en kinderen bij de ingang van een appartement. Ze lachen, kijken ons aan en zeggen iets wat we niet kunnen verstaan. “Ze zeggen ‘dank u’ voor de hulp die u heeft gegeven”, vertaalt onze plaatselijke contactpersoon.

Zingen is verboden

Vervolgens worden wij een kleine kamer binnengeleid, waar drie mannen en een vrouw ons begroeten. Zij nodigen ons uit om op de vloerbedekking te gaan zitten. De afgesloten kamer voelt koud aan alsof het winter is, hoewel het buiten al aan het opwarmen is. Er is geen verwarming of open haard in de kamer.

Een paar jonge Afghaanse vrouwen komen binnen om ons thee en wat lekkers te serveren. Ons wordt verteld dat drie mannen in de kamer Afghanen zijn. De een is dokter, de ander chirurg en de derde is zanger. Een voor een vertellen ze ons over hun leven en waarom ze Afghanistan hebben verlaten.

“De taliban wilden dat ik voor hen ging werken. Ik weigerde, dus stuurden ze me een brief, waarin ze me met de dood bedreigden“, vertelt de dokter. De chirurg knikt instemmend, hij heeft hetzelfde meegemaakt.

“Ik zong Afghaanse liederen voor de kost. Mijn beroep wordt door de taliban als zondig beschouwd. Ik heb ook drie dochters. De taliban zullen hen als vrouw nemen, ook zonder mijn toestemming”, zegt de zanger.

Alle drie hebben  ze alles wat ze in Afghanistan bezaten verkocht om te vluchten. Maar het leven voor hen als vluchteling is zwaar. Ze kunnen geen werkvergunning krijgen om zo een inkomen te verdienen. Jaarlijks moet er betaald worden voor de verlenging van hun vluchtelingenstatus. Daar komt nog bij dat ze huur moeten opbrengen voor de plek waar ze verblijven.

Kind kwijt

“Soms weten we niet waar we ons beperkte geld aan uit moeten geven; aan voedsel of huur of medicijnen of om onze vluchtelingenkaart te vernieuwen”, verzucht een moeder met een huilende baby op haar arm. Zij en een aantal andere vrouwen horen ook bij de groep Afghaanse vluchtelingen die we bezoeken.

“De taliban hebben mijn man meegenomen toen we de grens overstaken. Mijn zoon, mijn drie dochters en ik hebben het gehaald. Later is een van mijn dochters gestorven aan een ziekte”, vertelt een vluchtelinge ons. Terwijl de vrouw haar verhaal doet, valt ons oog op haar zoon. De uitdrukking op zijn gezicht is een mengeling van woede, bitterheid en haat. Er is zoveel pijn.

Ik probeer me in te denken hoe extreem moeilijk het is om vluchteling te zijn. Wat is hun toekomst? Ze vertellen dat niemand hen ooit gevraagd heeft hoe ze geholpen kunnen worden. Op dit moment mogen ze niet werken. Ze zijn professionals – artsen, verpleegkundigen en ook andere beroepen – maar ze kunnen hun beroep niet uitoefenen in een vreemd land. Dat vereist vergunningen en een hele papierwinkel. Het is onduidelijk tot wanneer ze hier zullen zijn – in een soort niemandsland – verlangend naar hun thuis, en levend in onzekerheid. Ze zijn hun echtgenoten en soms ook hun kinderen aan de Taliban kwijtgeraakt, en nu rapen ze de brokstukken van hun leven op om te zien wat er nog van over is.

“Welke hoop hebben we, voor onszelf, voor onze kinderen”,  vraagt een andere vrouw, die als lerares in Afghanistan werkte. Ze wijst naar een meisje dat naast haar zit. “Ze heeft de basisschool in Afghanistan al afgerond. Ze zou nu naar de middelbare school kunnen gaan. Maar dat kan hier niet. Ze kan niet naar school en ze kan niet werken. Wat kan ze doen?”

Hoop geven

Hoop. Dat is wat deze vluchtelingen zo bitter hard nodig hebben. “Vergeet ons alsjeblieft niet!”, smeken ze ons als we vertrekken. Door uw steun heeft Open Doors deze vluchtelingen kunnen bijstaan met praktische hulp en we blijven dat doen. “Jullie zijn de enige groep die ons is komen helpen”, zeggen ze.

Een luisterend oor en de bezoeken van een lokale partnerorganisatie kunnen onze Afghaanse broeders en zusters hoop geven. En tegelijk weet ik – weten wij –  dat er nog zoveel meer te doen is. We kunnen praktisch helpen, maar de grootste hoop die we hen kunnen geven is voor hen bidden om de bron van hoop te leren kennen: Jezus Christus.

Dus we gaan door. Ik weet dat Zijn werk onder onze Afghaanse broeders en zusters nog niet klaar is.

*Schuilnaam

Gebedspunten

  • Bid dat er een kerk geboren wordt onder deze Afghaanse vluchtelingen in alle landen waar ze verblijven;
  • Bid God om alle haat, woede en bitterheid die door toedoen van de taliban gegroeid is te verwijderen.
  • Bid God dat er mogelijkheden komen voor deze mannen en vrouwen om in hun eigen onderhoud te voorzien en niet de rest van hun leven afhankelijk te zijn van noodhulp.
  • Bid voor kinderen en jongeren, voor mogelijkheden om met school en een vervolgopleiding verder te gaan en zo te bouwen aan hun toekomst.